Aan het begin van de jaren 1960 zat Facel Vega in bijzonder lastige papieren. De kleine Facellia, die een frisse wind had moeten brengen voor het merk, was te haastig op de markt gebracht. De herhaaldelijk falende motoren stuwden de boekhouding van het merk in het rood. Facel Vega kon zich geen fouten meer veroorloven. De Fransen ruilden daarom de sublieme maar onbetrouwbare eigen viercilinder voor een onverwoestbaar geachte Volvo-vierpitter. En helemaal bovenaan het gamma beloofde de Facel II tot 400 pk uit zijn Chrysler-V8. De kloof tussen die twee modellen zette Facel ertoe aan om een derde model te ontwikkelen om het gamma te vervolledigen.

4, 6 en 8

Tussen de Facel III met zijn viercilinder en de Facel II met zijn dikke V8 kwam dus heel logisch de Facel 6 met een zescilinder. En deze keer ging Jean Daninos, de stichter van het merk, zijn boodschappen niet in Zweden of in de VS doen. Hij klopte aan bij BMC en kocht er de zes-in-lijn van de Austin-Healy 3000. Een motor die wat ruig of zelfs agrarisch was, maar wel onverwoestbaar, vol koppel en met een opwindende rauwe stem. Om fiscale redenen kneep Facel de cilinderinhoud toe tot 2,85 liter, waardoor hij nog 150 pk ontwikkelde.

Snel en verfijnd, maar te laat…

In mei 1964 werd de Facel 6 als coupé, als coach met 4 plaatsen en als cabriolet aan de pers voorgesteld. De journalisten waren overtuigd door het Frans-Britse huwelijk, zelfs al woog de motor heel zwaar op de vooras. Er waren twee versnellingsbakken verkrijgbaar: een van BMC met een overdrive, of de huiseigen Pont-à-Mousson-bak van 4 versnellingen, goed voor een topsnelheid van bijna 200 km/u.

Helaas heeft de auto nooit de tijd gekregen om zich te bewijzen. Facel Vega bracht hem in september 1964 op de markt en ging een maand later bankroet. Slechts 44 exemplaren werden ervan gemaakt, die vandaag allemaal zeer gegeerd zijn.