Weinig modellen doen zo hard denken aan het naoorlogse platteland van Frankrijk als de Colorale. Zijn naam is trouwens een samentrekking van de woorden “coloniale” (koloniaal) en “rurale” (platteland). De in 1950 gelanceerde Colorale profileerde zich als een grote break voor alle werk, ontwikkeld voor labeur in het platteland, maar ook als leveringswagen in de stad.
Al vanaf de lancering beseft ‘la Régie Nationale des Usines Renault’ (het bestuur van het merk) dat het model een flop is. De Colorale is duur, niet bepaald sexy en zijn motor met zijkleppen ontwikkelt een magere 48 pk, wat veel te weinig is om de 1.600 kilo van het geheel in beweging te brengen.
Toch zet Renault door: in 1952 stelt het merk een vierwielaangedreven variant voor waarvan de vooras met een klauwkoppeling kon worden ingeschakeld. Helaas blijft de motor veel te slap om enig terreingebruik te kunnen plannen. Een jaar later installeert Renault daarom een nieuwe, modernere motor. Die ontwikkelt 10 pk meer, maar dat is nog steeds ruimschoots te weinig.
In 1954 kondigt Renault daarom het einde van de Colorale aan, maar niet het eind van de verkoop. Het merk heeft namelijk een overeenkomst met koetswerkbouwer Chausson, dat de auto assembleert. Het duurt tot 1957 voor alle exemplaren verkocht zijn, ondanks de vele afgeleiden.