De VUB (Brussel) en de UCL (Louvain-la-Neuve) hebben samen de uitstoot van 757 recente en nieuwe dieselwagens geanalyseerd die officieel voldoen aan de Euro 5- of Euro 6-uitstootnormen. Vaak wordt gezegd dat dieselwagens vooral sinds de introductie van de Euro 6-norm eigenlijk helemaal niet meer zo vervuilend zijn en dat hun slechte imago onterecht is. De studie toont aan dat dit helemaal niet het geval is.

‘Superuitstoters’

Allereerst lanceren de wetenschappers de term ‘superuitstoters’: van het staal van 757 dieselwagens voldeed de meerderheid (ruwweg 85 procent) aan de opgelegde uitstootnormen. De overige 15 procent kampte echter met defecten, of eigenaars hadden zelfs de deeltjesfilters en AdBlue-katalysatoren eruit laten halen om technische problemen op een goedkope manier op te lossen, waardoor ze meer uitstoten dan de overige 85 procent samen. Deze zogenaamde ‘superuitstoters’ zijn een drama voor de volksgezondheid, maar omdat de meetapparatuur van onze autokeuringen niet gesofisticeerd genoeg is, glippen ze daar door de mazen van het net.

“Zelfbescherming”

En dan is er nog het verschil tussen de uitstoot op de rollenbank en wat er werkelijk uit de uitlaat komt. De uitstootnormen van Europa, die de sector vaak al te streng vindt, laten nog vrij veel achterpoortjes toe waarbij alle normen tijdelijk mogen worden overschreden als dat ‘noodzakelijk’ is om de motor te beschermen. Dat gebeurt vooral in wagens die te vaak korte afstanden met een koude motor afleggen. De conclusie van de studie is niet zozeer dat dieselwagens geen recht van bestaan hebben, maar wel dat ze op een correcte manier moeten worden gebruikt en onderhouden. Moderne dieselwagens zijn enkel geschikt voor wie zich hoofdzakelijk over lange afstanden op de snelweg verplaatst, zodat de motor en alle filters bij stabiele omgevingsfactoren kunnen werken.