Het verhaal begon met Anré Dubonnet in de Roaring Twenties. De steenrijke Fransman was de kleinzoon van de oprichter van het beroemde aperitiefmerk. De geniale alleskunner en sportieve sensatiezoeker wist tijdens de Eerst Wereldoorlog zes overwinningen in luchtgevechten binnen te halen, nam deel aan de Olympische Spelen met een bobsleeploeg, ontwikkelde een nieuw soort ophanging (die hij aan GM verkocht) en verrichte pionierswerk in het onderzoek naar… zonne-energie. Een bezige bij… Hij was verzot op wijn en snelle auto’s en verzamelde Bugatti’s en Hispano-Suiza’s.

8 liter

In het midden van de jaren ’20 was Hispano-Suiza een uiterst prestigieus merk dat het evenwicht zocht tussen sportiviteit en luxe. Natuurlijk ging de Spaanse constructeur gretig in op de bestelling van Dubonnet door hem een H6C Boulogne te leveren met een kathedraal van een motor: een zescilinder van liefst 8 liter met een vermogen van 160 pk.

“Tulipwood”

Toppunt van het spektakel was uiteraard het buitenissige koetswerk van de hand van Nieuport-Astra, een luchtvaartspecialist. Hoewel wordt beweerd dat de auto zou zijn gemaakt in tulpenhout, bestaat hij in werkelijkheid uit acajou. Met zijn vederlichte koetswerk en dikke motor wist de Hispano van Dubonnet te schitteren in de autosport: de Franse gentleman driver bracht hem naar een zesde plaats tijdens de Targa Florio van 1924 en een vijfde stek op de Coppa Florio.

Smetteloze geschiedenis

Zeldzaam voor een auto uit deze periode is dat zijn geschiedenis perfect smetteloos is: hij is lange tijd bewaard door de familie Dubonnet en mocht staan blinken in het museum van Henry Ford, op het salon van New York en uiteraard op de meest prestigieuze elegantiewedstrijden van de wereld. De H6C werd voor het eerst sinds lang aangeboden op een veiling en klopte daar af op 9,25 miljoen euro. Een straf bedrag voor een auto uit een periode die steeds minder mensen weet te boeien…


?